Columns

Vanaf juli 2019 t/m februari 2020 schreef iedere week een jonge columnist over poëzie in de breedste zin van het woord. Deze columnisten waren Kevin Amse, Maureen Ghazal, Siham Amghar, Hava Özbas en Willemijn Kranendonk. Vanaf december 2020 start een nieuwe groep jonge columnisten met schrijven over poëzie. Dit zijn Daniëlle Zawadi, Malika Soudani, Maxime Garcia Diaz, Maxine Palit-de Jongh en Quinten Langes. Maureen Ghazal en Willemijn Kranendonk blijven ook columns schrijven. Dus iedere week weer een nieuwe column over poëzie.

 

<<Terug
  • Het uitdijende gedicht

    Het uitdijende gedicht

    “De maximale lengte van een gedicht is 40 regels” staat in het reglement van de Gedichtenwedstrijd, waarvan net de winnaars bekend zijn gemaakt. Door de formulering van deze zin klinkt hij, uit de context, als een wet voor poëzie in het algemeen. Verderop in het reglement staat: “er zijn geen beperkingen aan thematiek of stijl.” Dat is grappig, want dichters beperken tot 40 regels is automatisch al een beperking aan stijl.

    “Ik wil geen gedichten meer maar zones,” schreef Arno Van Vlierberghe in zijn debuut Vloekschrift (het balanseer, 2017). Mijn eigen gedichten zijn de afgelopen jaren langer en langer geworden, groeien als kool of onkruid, overschrijden telkens weer de paginagrens minstens één en soms wel vijf keer.

    Misschien is dat ontstaan in mijn podiumverleden, waar langere gedichten beter werken. Het publiek moet immers altijd even wennen aan jou op het podium, aan de gekke manier waarop je de R uitspreekt, ze moeten even landen. Tijdens een slam moet je vooral vermijden dat je halverwege je meeslepende voordracht de vierde muur platwalst, uit je verheven dichtersstem valt en op nuchtere toon aankondigt: “Oké, nou, dank jullie wel, mijn volgende gedicht heet zus-en-zo.” Ik háát dat moment. Een goed slamoptreden is meestal een geheel, en dat nodigt uit tot gedichten die de volledige 5 minuten vullen. Op het podium is het gedicht meer een temporeel dan een ruimtelijk verschijnsel: als lezer dwaal je rustig over de pagina, zie je de opmaak, maar als luisteraar word je meegenomen op een reis die naar (een of ander) crescendo opbouwt.

    Als je stelt dat paginagedichten eerder ruimtelijk dan temporeel zijn, zou je kunnen zeggen dat een heel lang paginagedicht een soort hele lange gang is. Maar ik zie mijn eigen lange gedichten liever als diffuse ruimtes, vreemd gevormde kamers, zones. Lengte kan namelijk ook uitnodigen tot meerstemmigheid. Voor mij draait poëzie schrijven om de logica van de associatie: schep beelden en rangschik ze, om zo betekenis te creëren die niet (of minder goed) zou kunnen ontstaan in proza met zijn drang naar lineaire coherentie. Iets zeggen door dingen in verband met elkaar te brengen, door vaagjes ergens naar te gebaren, in een cirkel om iets heen te lopen. Een soort droomlogica.

    Die associatielogica kan leiden naar montagetechnieken: cutting up, citeren. Het is geen toeval dat veel hedendaagse dichters die lang van stof zijn – zoals Van Vlierberghe en de in voorgaande columns genoemde Dominique De Groen, Dean Bowen, en Obe Alkema – ook dichters zijn die veel verschillende registers en citaten gebruiken. De tekst wordt een ruimte waarin verschillende elementen elkaar ontmoeten om iets nieuws te laten ontstaan in die constellatie. Als het goed gedaan is maakt dat de tekst weids en diep.

    In Preliminary Materials for a Theory of the Young-Girlomschrijft het Franse collectief Tiqqun zijn eigen werk als “trash theory”: in plaats van een rechtlijnige, begrijpelijke academische tekst te produceren, kiezen zij ervoor “to expose these elements in all their incompleteness, in their contingent original state, in their ordinary excess.” Die vuilnistheorie (wie voorgaande columns heeft gelezen merkt misschien dat ik een ongezonde fascinatie voor vuilnis heb) zorgt er volgens Tiqqun voor dat het proces van totstandkoming zichtbaar blijft, terwijl een academische tekst dat proces normaal gesproken wegmoffelt, om een naadloos geheel te presenteren. Zoals John Donnes typering van het gedicht als een well-wrought urn: een kloppende, fraai gecomponeerde vaas. Van veertig regels, bijvoorbeeld, veertig keurige regels waarin aantekeningen en vage gedachtensporen op meesterlijke wijze worden geïntegreerd, met prachtige knikjes naar andere bronnen of registers maar zonder die erbij te slepen.

    Of het kan er wel allemaal bij gesleept worden, aan de haren. Zodat de urn niet zozeerwell-wroughtwordt maar in diggelen op de grond ligt, over de hele kamer verspreid. Zodat we eindelijk, in de woorden van Van Vlierberghe, “krijgen wat we vele eeuwen wilden: hysterische poëzie.” En de zone uitdijt als een tumor, steeds logger en wanstaltiger, tot de hele wereld erin past,trash poetry.Zoals Piet Gerbrandy schreef in De Gids, een jaar voor de publicatie van Vloekschrift: “Het is weer tijd voor een poëzie die groots en belachelijk durft te zijn, die de grenzen tussen de genres doorbreekt en wanhopig, weltfremd en megalomaan midden in de wereld wil staan.”


    31 maart 2021