Columns

Vanaf juli 2019 t/m februari 2020 schreef iedere week een jonge columnist over poëzie in de breedste zin van het woord. Deze columnisten waren Kevin Amse, Maureen Ghazal, Siham Amghar, Hava Özbas en Willemijn Kranendonk. Vanaf december 2020 start een nieuwe groep jonge columnisten met schrijven over poëzie. Dit zijn Daniëlle Zawadi, Malika Soudani, Maxime Garcia Diaz, Maxine Palit-de Jongh en Quinten Langes. Maureen Ghazal en Willemijn Kranendonk blijven ook columns schrijven. Dus iedere week weer een nieuwe column over poëzie.

 

<<Terug
  • Poëzie & ruimte

    Poëzie & ruimte
    Migrant 1.0

    Draagt in zijn palm de encyclopedie van een beschaving.
    In de haven waar hij aanmeerde werd hij een vrouw.
    Wordt wakker wanneer jij slaapt, slaapt wanneer jij lacht.
    In de tram warmt hij zich aan de spiegeling. Hij bestaat.
     
    Valt samen met de naam die hem werd gegeven. Prevelt
    hem als bescherming tegen de god van de statistiek. Als
    hem uiteindelijk het nummer is gegeven, valt een last
    van hem af. Krijgt er een ander bij. Waarmaken wat
     
    tot vijf minuten geleden nog een droom was. En
    leren dromen in een nieuwe werkelijkheid.



    Ik houd van de ruimtes in een gedicht. De ruimte in de tekst, de beeldtaal, en de ruimte op papier. De beeldtaal maakt situaties en de betekenis van woorden persoonlijk.  Zo trekt de schrijver diens lezer in de tekst. In Wax Hollandais, de meest recente poëziedebundel van Abdelkader Benali, staat een gedicht, Migrant 1.0. In het gedicht laat de ik-persoon, de migrant, een leven achter zich in ruil voor een plek waar hij niet langer zeker is over zijn toekomst. De migrant tast zijn bestaan op een nieuwe plek af en plaatst zichzelf meerdere keren buiten de maatschappij waarin hij terecht is gekomen. Eerst gebeurt dat wanneer hij wakker wordt wanneer de rest van de mensen, waaronder de lezer, slaapt en wakker wordt wanneer zij slapen. Een tweede keer onderscheidt hij zichzelf van de meute, door te benoemen dat hij wakker wordt als zij slapen, terwijl zij lachen wanneer hij slaapt.

    Toch lijkt de afstand tussen de ik-persoon en de rest snel te krimpen. Dat gebeurt in de tram, waarin hij zich warmt aan de spiegeling. Bedoelt hij het raam, waarin hij zichzelf ziet onder de felle tl-verlichting? Of doelt hij op de aanwezigheid van anderen? Herkent hij zich in de mensen in de tram? De tram die bijna de hele dag door de stad rijdt, onderweg is. De tram waarin mensen bepakt en bezakt onderweg zijn. De tram waarin zoveel verschillende mensen, de meesten vreemden van elkaar, samen onderweg zijn.

    Het gedicht bestaat uit tien regels, twaalf als ik de witregels meetel. De situatie die wordt geschetst is zo ruimtelijk, dat de inhoud de beknopte tekst overstijgt. Waar Migrant 1.0 vooral veel ruimte in beslag neemt in mijn hoofd als lezer en niet heel erg speelt met de ruimte op papier, zijn er ook gedichten waarin de ruimte wordt gecreëerd door de vormgeving van de tekst. In dat soort poëzie gaat het dan niet zozeer om de ruimte in de tekst, maar juist om de ruimte op papier.

    Onbedrukt papier als een moment van stilte, een korte pauze, een eind, een zinsafbreking. Het wit geeft aan waar te ademen en waar te beginnen met lezen. Zo proberen deze dichters de lezers te sturen. Dezelfde ruimte nodigt uit tot nadenken over en het overlezen en ontleden van een gedicht. De witregels, de marges en de spaties; de ruimte waartegen de letters afsteken, waardoor het gedicht betekenis krijgt nog voordat je het hebt kunnen lezen. Het maakt van dit soort ruimtelijke poëzie een vorm van beeldende kunst.  Kijk bijvoorbeeld naar gedichten van Rozalie Hirs en Mary Ellen Solt. Het is de compositie van de letters en woorden op het papier die, naast de inhoud van de tekst natuurlijk, hun werk van het papier laten komen en het laten leven in het hoofd van de lezer. Hoe ruimte wordt benaderd in een gedicht en op papier inspireert mij om de ruimte om mij heen te onderzoeken. Ik vraag mijzelf af op welke manier ik ruimte in beslag neem.


    24 februari 2021