Columns

Vanaf juli 2019 t/m februari 2020 schreef iedere week een jonge columnist over poëzie in de breedste zin van het woord. Deze columnisten waren Kevin Amse, Maureen Ghazal, Siham Amghar, Hava Özbas en Willemijn Kranendonk. Vanaf december 2020 start een nieuwe groep jonge columnisten met schrijven over poëzie. Dit zijn Daniëlle Zawadi, Malika Soudani, Maxime Garcia Diaz, Maxine Palit-de Jongh en Quinten Langes. Maureen Ghazal en Willemijn Kranendonk blijven ook columns schrijven. Dus iedere week weer een nieuwe column over poëzie.

 

<<Terug
  • Against purity

    Against purity

    Ik lees deze dagen niet langer een monochroom schrijft Dean Bowen in Bokman (2018). Ik heb een moedertaal, en een vadertaal, en die zijn niet hetzelfde. Misschien begon hier de onzuiverheid. In ieder geval sijpelde die door, tot in mijn poëzie, die ik jarenlang uitsluitend in het Engels schreef, mijn derde taal.

    “Je kan toch niet in het Engels schrijven?” riep men. “Schrijf in de taal waarin je leeft, droomt, denkt! Poëzie schrijven moet in je moedertaal, als een speer van feilloze authenticiteit, recht vanuit het hart van de dichter geschoten. Je gaat die speer toch niet eerst door Google Translate mikken?”

    Maar ieder kind van migrantenouders weet dat een hart meerdere talen kan hebben. Inmiddels geldt hetzelfde voor de gemiddelde ‘monoculturele’ jongere die opgroeit in de verengelste B.V. Nederland, waar zij en haar klasgenoten zoveel Amerikaanse tv en muziek consumeren dat ze op een gegeven moment “ik care om je” zeggen tegen elkaar, omdat dat juist authentieker voelt dan het archaïsche “ik geef om je.” Als je opgroeit tussen talen, registers, werelden, heb je geen zuivere, authentieke moedertaal meer. Dan heb je vooral heel veel keuze.

    In Shop Girl (2017) schrijft Dominique De Groen: ik vind mijn lichaam terug aan het einde van een supply chain. Supply chain, precies het soort Engelse bedrijfswoord waar strijders voor het Nederlands gek van worden, hier verheven tot een poëtisch register. De Groen had ook voor “bevoorradingsketen” kunnen kiezen, maar de fast fashion wereld van de Primark die ze in haar bundel beschrijft vraagt juist om het woord supply chain. “In een taal ligt je leven gevat,” schrijven de redacteuren van Against English. Een pleidooi voor het Nederlands.Mijn leven, en dat van mijn vrienden, ligt gevat in een onzuiver, verbasterd Nederlands. Een Nederlands dat voor de helft bestaat uit Engels, Spaans, Arabisch, internettaal en straattaal, een Nederlands van fout gespelde woorden en de vreemdste grammaticale kronkels. Als je belevingswereld een meertalige maelstrom is geworden, waarom zou je dan een kunstmatige zuiverheid aanbrengen in je gedichten? Voor columns of emails pas ik mijn vuilnistaal aan, om begrijpelijk te kunnen communiceren. In poëzie geef ik minder om begrijpelijkheid of communicatie en meer om de esthetiek van die lelijke, onzuivere taal.

    Op kantoor en op de universiteit is het deze dagen een daad van verzet om stug Nederlands te blijven spreken; in de poëzie niet, want poëzie is niet onderhevig aan dezelfde verengelsing als het onderwijs of bedrijfsleven. In de poëzie dreigt wel uitsluiting te ontstaan, of bestaat allang uitsluiting, wanneer een rigide, puur Nederlands de norm is.

    In Bokman schrijft Bowen: ik vrees deze dagen niet langer een monochroom. Net als de schrijvers van Against English vrees ik nog wel eenkleurigheid: dat kleinere talen verloren gaan aan de verengelsing. Maar een terugkeer naar zuiverheid kan niet het antwoord zijn. Als ik mijn moedertaal niet had verbasterd was ik, als dichter, mijn moedertaal verloren. Ik rekte de taal op, zodat er ruimte voor mij ontstond. Zoals Bowen in Bokman probeert om via een web van talen en citaten grip te krijgen op het “tussenin” van een lichaam van kleur in Nederland. Zoals De Groen in Shop Girl Engels gebruikt omdat ze alleen zo de geglobaliseerde mode-industrie kan vatten. En wat mij betreft: sinds ik mezelf toesta alles door elkaar te gooien, schrijf ik steeds meer in het Nederlands.


    23 december 2020