Columns

Iedere week schrijft een jonge columnist over poëzie in de breedste zin van het woord. Onze vijf columnisten zijn Kevin Amse, Maureen Ghazal, Siham Amghar, Hava Özbas en Willemijn Kranendonk.
<<Terug
  • De poëtische adrenaline

    De poëtische adrenaline

    Ik heb een gezin en een fulltime job, en opvoeden noch lesgeven is een makkelijke opdracht. Desondanks is poëzie schrijven het moeilijkste wat ik doe. Poëzie is alles: je hebt geen woorden nodig om het te creëren of om het te zien; het is een ruimer begrip. Het enige wat dichters doen is de essentie ervan op papier zetten om het bevattelijker te maken. Dat is het dichterlijke voorrecht en tegelijkertijd onze vloek, want hoe doe je zoiets?

    Tijdens een maandelijks gesprek met enkele collega-dichters stelt iemand een prangende vraag: 'Wat voel je tijdens het schrijfproces?' Ze overvalt me ermee, laat me nadenken over iets waar ik nog niet eerder over dacht want schrijven is voor mij iets dat me overkomt. Langzaam kom ik tot een antwoord. Als ik schrijf zit ik in een trance waarin ik me afsluit van de buitenwereld. Wanneer ik dan eindelijk een zin op papier kan zetten die mijn verwachtingen overstijgt, stroomt er een soort adrenaline door mijn lijf. Een zin schrijven die zo scherp is dat ik hem voel snijden, dat geeft me een enorme kick.

    Vaak laat ik wat ik geschreven heb een dag liggen en niet zelden kijk ik er daarna wat teleurgesteld op terug. Toch ga ik telkens op zoek naar die sensatie die ik enkel via poëzie kan bereiken. In een goed gedicht valt alles op z'n plaats maar het duurt even alvorens de woorden hun plek kunnen vinden. Daardoor ga ik opnieuw aan de slag om alles te herwerken en zo kom ik weer in die sensatie terecht.

    Dat hele proces leidt dan tot een versie van een gedicht dat naar mijn gevoel af is. 'En wanneer,' wordt er door iemand anders in het gesprek gezegd, 'is dat gedicht dan af?' Ik heb er niet meteen een pasklaar antwoord op. Je kan duizenden versies van een gedicht schrijven, maar ik denk dat de meeste dichters op hun gevoel vertrouwen. Wat kunnen we anders doen? Een gedicht is af wanneer je voelt dat de wortels van de woorden onwrikbaar zijn, wanneer je bij het lezen van je werk onder de indruk bent van je eigen kunnen, wanneer je er niets meer aan toe te voegen hebt. Ik kan daar een voldaan gevoel bij krijgen, zoals bij het neerploffen in de sofa na een lange werkdag of zoals wanneer het me op restaurant plots opvalt dat er jazzmuziek op staat.

    Het gesprek loopt ten einde. We hebben elkaars werk en poëtica besproken. Ik rij naar huis met een hoofd vol nieuwe ideeën, gepaard met een opstoot van poëtische adrenaline. Ik dicteer de ideeën in de opname-app van mijn smartphone en zet de muziek met een voldaan gevoel opnieuw aan. Het antwoord op de vraag hoe je de alom aanwezige poëzie bevattelijk kan maken lijkt nu simpel geworden: het is wellicht onmogelijk, maar ik zou niets anders willen doen dan het te proberen.


    5 februari 2020