Columns

Iedere week schrijft een jonge columnist over poëzie in de breedste zin van het woord. Onze vijf columnisten zijn Kevin Amse, Maureen Ghazal, Siham Amghar, Hava Özbas en Willemijn Kranendonk.
<<Terug
  • Kintsugi

    Kintsugi

    Aan het begin van ieder jaar ben ik altijd weer benieuwd naar de voornemens die iedereen heeft. Iemand die ik goed ken zei dat ze zich niets voorgenomen heeft, zodat het nooit kan tegenvallen. Een zinvolle uitspraak als je ervan uitgaat dat verwachtingen teleurstellingen met zich meebrengen. Ik denk daar anders over. Volgens mij moet je verwachtingen blijven scheppen om je leven een richting te geven. Misschien is dat precies waar ik behoefte aan heb nu.

    Van binnen ben ik een gebroken porseleinen figuur, aan elkaar gelijmd door een goudkleurige lak - zoals dat gedaan wordt binnen de Japanse kunstvorm: Kintsugi. Van buiten lijkt alles heel, en ik vraag me af: hoe komt dat?

    Een gedicht doet als het ware hetzelfde; breuk en herstel zichtbaar maken. De schoonheid van het verborgene openbaren. Natuurlijk geldt dit niet voor alle poëzie en gebruikt iedereen zijn eigen referentiekader bij het ervaren van een tekst - gelukkig maar. Persoonlijk houd ik van wisselende perspectieven die worden uitgebeeld binnen één gedicht. Naar mijn idee werkt dit net als met nieuw speelgoed; je pakt het op en wordt alsmaar blijer bij het ontdekken van wat het allemaal kan en doet. Hoe meer functies iets heeft, des te spannender en veelbelovender.

    Zo las ik Droomseminarie uit een oude dichtbundel van de Zweedse dichter Tomas Tranströmer, puur vanwege de titel. De betreffende bundel heet Het wilde plein, een verzameling gedichten uit de periode 1948-1990, en is vertaald door J. Bernlef. Ik kreeg direct een sympathie voor het gedicht dat mij het gevoel gaf alsof ik een cadeautje aan het uitpakken was. Ik houd van taal die op het eerste oog eenvoudig lijkt. Ik wist trouwens niet wat seminarie betekende; een school voor het opleiden van rooms-katholieke priesters. Stiekem hoopte ik dat het woord droom in de titel betrekking had op een ideaal.

    Vier miljard mensen op aarde.
    En allen slapen, allen dromen.
    In iedere droom drommen lichamen en gezichten samen -
    de gedroomde mensen zijn talrijker dan wij.
    Maar zij nemen geen plaats in...

     

    Bij het tegenkomen van mijn eigen reflectie in dit gedicht uit een ander tijd en oorspronkelijk geschreven in een ander taal, ontspan ik. Wanneer de dichter over een wij spreekt, voel ik me noch buitengesloten, noch aangesproken. Hij schetst een wereld, zo zijn er een heleboel werelden. Misschien hoef je een gedicht geen betekenis te geven en kun je het gewoon nemen zoals het is. Ik geniet van de betoverende laatste regels:

     

    Wij lopen door een straat, te midden van mensen
    in de brandende zon.
    Maar even zovelen of meer nog
    die wij niet zien
    bevinden zich binnen in de donkere gebouwen
    aan weerszijden oprijzend.
    Soms loopt een van hen naar het raam
    en werpt een blik op ons daarbeneden.



    9 januari 2020