Columns

Iedere week schrijft een jonge columnist over poëzie in de breedste zin van het woord. Onze vijf columnisten zijn Kevin Amse, Maureen Ghazal, Siham Amghar, Hava Özbas en Willemijn Kranendonk.
<<Terug
  • Poëzie is stom

    Poëzie is stom

    Als ik een gedicht ga schrijven weet ik nooit waar ik aan begin. Wanneer iemand mij vraagt wat poëzie is, heb ik daar geen kant en klaar antwoord op. Ik weet wat het niet is: het is geen non-fictie, kortverhaal of essay. Ik kan het enkel omschrijven met bijvoeglijke naamwoorden als: mysterieus, onvoorspelbaar, ontregelend. Poëzie is het jongetje achter in de klas waar je maar geen grip op krijgt, is het jongetje dat vervelend doet om aandacht te krijgen. Je wilt hem de aandacht wel geven, maar weet dat je daarmee zijn gedrag in stand houdt.

    Heel vaak vind ik poëzie stom. Stom om te lezen, stom om te schrijven. Je kan zeggen dat ik en Poëzie een haat-liefde verhouding hebben. In het essay Waarom we poëzie haten vertelt Ben Lerner: ‘Ook ik houd er niet van en ik heb mijn leven grotendeels ingericht rondom de poëzie (…) en ervaar dat niet als tegenstrijdigheid omdat poëzie en de haat jegens de poëzie voor mij – en misschien ook voor jou – onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.’ Voor hem zijn de haat en poëzie verbonden, hij zegt eigenlijk dat de afgunst erbij hoort.

    Ik zet continu vraagtekens bij dit genre. Iedere keer dat ik ga schrijven, vraag ik me weer af waarom. Bij iedere zin denk ik: voegt dit iets toe? Zoals ik in een van mijn eerdere columns al vroeg: Kan poëzie de wereld veranderen? Voor mij zit daar de crux. Maakt het uit of ik deze gedichten schrijf? Doen deze gedichten ertoe? Kan ik niet beter ophouden? Het is goed om jezelf dit soort vragen te stellen, het houdt je scherp. Aan de andere kant is er niets anders dat zoveel weerzin bij mij opwekt als het schrijven van poëzie. En wat zegt dat dan?

    Later in het essay vertelt Lerner over de avant-gardisten: ‘Voor de avant-garde is het gedicht een denkbeeldige bom met echt explosief materiaal: het blaast de categorie op en wordt deel van de geschiedenis. Het gedicht is een wapen – een wapen tegen de pasklare ideeën over wat een kunstwerk is.’ De avant-gardisten wilden poëzie en kunst als instituut opheffen, het onderdeel maken van de maatschappij. Ze wilden poëzie schrijven en daarmee poëzie uitwissen. Dit klinkt paradoxaal, maar ik kan me er wel in vinden. Ik schrijf gedichten omdat ik het stom vind, nutteloos zelfs, en daar ligt juist de kracht. Doordat veel mensen poëzie doodverklaren, blijft ze juist leven.


    11 december 2019