Columns

Iedere week schrijft een jonge columnist over poëzie in de breedste zin van het woord. Onze vijf columnisten zijn Kevin Amse, Maureen Ghazal, Siham Amghar, Hava Özbas en Willemijn Kranendonk.
<<Terug
  • De Tao als concept

    De Tao als concept

    Een van de uitgangspunten van het Taoïsme is dat niets kan bestaan zonder het tegendeel. In mijn vorige column had ik het over paradoxen die dankzij poëzie in één wereld kunnen bewegen. Wijzend naar mezelf zei ik toen: ‘(...)zonder vertwijfeling, geen verwondering.’ Net als een spiegel dat doet, maakt een gedicht je bewust van jezelf. Bewustwording is de eerste stap voor verbetering. Zou poëzie een leraar kunnen zijn van wie je leert hoe je een beter mens wordt?


    Het Taoïsme is een Chinese levensbeschouwing die gaat over hoe te handelen in het leven. Deze mystieke leer gaat er onder andere van uit dat je de volmaakte mens kunt worden als je met de stroom van verandering meegaat. Hoe flexibeler je bent, des te beter dus; lang leve de kameleons. De op schrift gestelde teksten Daodejing, Zhuang Zhi en Liezi vormen de basis én ze zijn poëtisch. Het fijne ritme van het geschrift creëert de illusie dat de inhoud eenvoudig is, maar niets complexer dan het menselijk leven.

    Letterlijk wordt het woord Tao vertaald als ‘de Weg’. Tegelijkertijd is de Tao een onbeschreven principe. Niet verrassend, luidt de eerste regel van de Daodejing:De Tao die benoemd kan worden, is niet de ware Tao’. Het wel of niet kunnen beschrijven van de dingen, zegt niets over hun existentie. Er zit een wijsheid in de stilte die - als je maar lang genoeg luistert - overal is.

    Het visnet bestaat omwille van de vis, en als de vis gevangen is, dan
    kun je het net vergeten. De konijnenstrik bestaat omwille van het
    konijn, en als het konijn gevangen is, dan kun je de strik vergeten.
    Woorden bestaan vanwege hun betekenis, en als je de betekenis
    begrepen hebt, dan kun je de woorden vergeten. Waar zal ik iemand
    vinden die de woorden is vergeten, zodat ik een woordje met hem
    kan spreken!

    (Zhuang Zhi, 26:x)

     

    Je zou bijna zeggen dat het bovenstaand citaat refereert naar de zoektocht en motivatie van de dichter. Poëzie herinnert je eraan om juist het persoonlijke oordeel opzij te zetten, zodat je plaats maakt voor begrip. Wanneer je nieuwsgierig bent, zit in alles een les.

    Niettemin tref je dagelijks de toegepaste principes van het - uit het Oosten afkomstige - Taoïsme terug in onze Westerse maatschappij. In zijn boek ‘De Tao van Poeh’ vertelt Benjamin Hoff hierover aan de hand van Winnie-de-Poeh, die de Tao beter kent dan je misschien zou verwachten.

    ’t Is vandaag!’ piepte Knorretje.
    ‘Mijn lievelingsdag’, zei Poeh.

    (De Tao van Poeh, 2018)

     

    Een belangrijk principe is het Ongekerfde Blok; een metafoor voor de kracht van de oorspronkelijke eenvoud van de dingen. Het gaat over je natuurlijke staat. Winnie-de-Poeh is sympathiek, omdat hij een simpele ziel is. Maar in het Westen wordt het Taoïsme eerder door de Geleerde Uil geïnterpreteerd, die je zou kunnen vergelijken met de academicus binnen de samenleving. Oftewel het brein voert hier de boventoon. Poëzie brengt je terug naar je eenvoudige staat, het Ongekerfde Blok dat je ooit was.

    ‘Wel,’ zei Uil, ‘de geijkte procedure van zulke zaken is de volgende.’
    ‘Wat wil dat zeggen: ‘’gekke proosduur’’ ‘ vroeg Poeh. ‘Want zie je,
    ik ben een beer met maar een heel klein beetje verstand en lange woorden,
    daar heb ik last mee.’
    ‘Het wil zeggen: ‘’dat, wat er gedaan moet worden’’.’
    ‘Nou. als ’t dát betekent, dan heb ik er vrede mee,’ zei Poeh nederig.

    (De Tao van Poeh, 2018)

     

    Academici en politici zijn bekend om hun taalgebruik: versierd met dure woorden die voor de gewóne burger soms intimiderend zijn. Vanuit dit oogpunt gezien, is de dichter die de beleving van de woorden vooropstelt, bezig met een uiterst activistische daad. En ik maar denken dat poëzie niets met politiek te maken heeft.

    ‘Wat doe jij het allerliefst op de hele wereld. Poeh?’
    ‘Het allerliefste -’ zei Poeh en toen moest hij eerst eens even nadenken.
    Want al was honing eten iets vreselijks prettigs, er was toch één ogenblikje,
    vlak voor je begon, dat nog prettiger was, maar hij wist niet hoe dat heette.

    (De Tao van Poeh, 2018)

     

    Alles wat je kunt consumeren is tijdelijk. Als het goed is, brengt poëzie je naar het hier en nu; waar je duurzaam plezier kunt proeven. Nog mooier is het als ze je aanspoort om na te denken over wat dat precies inhoudt: duurzaam plezier, dat je vervolgens op zoek gaat naar manieren om daaraan bij te dragen.  

    In de vraag of poëzie een leraar kan zijn, ligt een onderliggende behoefte aan redding. Terwijl ik me dit bedenk, stuit ik op een essay van Arnon Grünberg in de Volkskrant. Hij zegt: ‘’Maar vaak is wat ons redt ook datgene wat ons naar onze ondergang voert.’’. Wie had dat gedacht?


    25 september 2019