Clubkeuze

Elke editie kiest een panel van poëziekenners de meest interessante bundel van het seizoen. Awater-abonnees krijgen deze Clubkeuzebundel automatisch thuisgestuurd. Hieronder vindt u een overzicht.
  • 2011-1

    2011-1

    De meest kleurrijke bundel van 2010 werd geschreven door de Vlaamse Delphine Lecompte. De Vlaamse dichteres is een onmatig vertelster, die aan elk persoon, dier, object of gebeurtenis die ze te berde brengt een anekdote of karakterisering knoopt. Dat gaat zo: het gedicht ‘Een os wegen’ begint met de regels:
     

    Ik verkocht handtassen aan incontinente dames, 
    ze roken naar inkt en roest 
    In hun jeugd hadden ze poema’s afgeschoten 
    en aapjes opgeleid tot orgeldraaiers. 


    Delcompte rijgt haar associaties aaneen tot een bonte mengeling van gedachten, observaties en dromen. Dat leidt tot lange dichten die voortdurend in beweging zijn. Hup, naar de volgende bewering. Wakker worden zonder bijgeloof, pannenkoeken, een verhaal dat verdwijnt ‘als een suikerspin in een somber kind’, God, cake en een koetsier met zeven kinderen in één gedicht: bij Delcompte komt het allemaal op zijn pootjes terecht. 

    Verzonnen prooi is de opvolger van de vrolijke bundel De dieren in mij, waar Lecompte de C. Buddingh’-prijs voor het beste debuut mee won. In deze tweede bundel is de toon nog wel nuchter en vitaal, maar in het fantasierijk van Delcompte steekt ook veel treurigheid. ‘Een os wegen’ eindigt met de schrijnende regels: Tijdens mijn laatste pauze werd ik ontmaagd door een oude man/ Hij wilde dat ik de naam van zijn broer en zijn bloedgroep wist’. 

    Delcompte schrijft normale Nederlandse zinnen, zonder franjes, maar wat ze zegt is nooit gewoon. Delphine Lecompte is de redding van de Vlaamse poëzie, stelt de achterflap op zijn achterflaps. Het is eerder omgekeerd, ben je geneigd te denken. De titel van het eerste gedicht is: ‘Als je gelukkig kunt zijn, wees dan gelukkig zonder gedichten’. Daaruit spreekt ongemak, al is het ook geestig. ‘jij bent nog redelijk tevreden, maar niet met mij’ luidt een regel in dat gedicht. 

    De indruk die we krijgen van de vrouw die het woord voert in de gedichten, is dat ze zich nog niet heeft verzoend met haar bestaan. Er is weinig reden tot hoop, in de dingen die ze meemaakt en bedenkt, maar als het erop aankomt, is ze optimistisch: ‘Ik mis de bus/ Gelukkig maar/ Want op die bus zit mijn moordenaar’. Er zijn ook andere vaste personages, zoals ‘de oude kruisboogschutter’ en haar vader en moeder, en grootvader en grootmoeder - zonder dat je veel greep krijgt op hun rol of karakter. Hun aanwezigheid geeft een gevoel van eenheid: hoekpunten in een wondere wereld, die je met veel plezier verkent.


    Ron Rijghard