Clubkeuze

Elke editie kiest een panel van poëziekenners de meest interessante bundel van het seizoen. Awater-abonnees krijgen deze Clubkeuzebundel automatisch thuisgestuurd. Hieronder vindt u een overzicht.
  • 2011-2

    2011-2

    Maud Vanhauwaert ‘wankelt op de grens tussen het podium en de poëzie’, schrijft haar uitgever achterop haar debuutbundel Ik ben mogelijk . Maar ondanks dat podium heeft haar poëzie in het geheel geen grote mond en elleboogt zij zich niet luidruchtig naar voren in de schijnwerpers van de aandacht. Ik ben mogelijk is eerder een bundel die je makkelijk over het hoofd ziet te midden van het vele wat er ook verschijnt. En dat is niet terecht. Vanhauwaerts gedichten geven zich door de intensiteit en verbluffende eigenheid van haar beelden en associaties langzaam prijs. Hoewel ze niet hermetisch zijn, of grammaticaal ontregeld, moet je ze goed tot je door laten dringen om te voelen wat een krachtige en verrassende onderstroom haar regels en strofen hebben.

    Over de vervreemding van het met heel je eigenheid in een stad leven te midden van al het talloze andere dat daar ook leeft, gaat het vaak. Over hoe een Pools hoertje, Joodse vrouwen, een weduwnaar die kroonkurken blijft verzamelen omdat zijn overleden vrouw daar zo graag mee knutselde, je eigen bestaan kunnen relativeren. Op lyrische, bijna bezwerende toon beschrijft Vanhauwaert haar fantasieën over willekeurige gebeurtenissen die toevallig gelijktijdig op de wereld plaatsvinden, maar ook haar eigen wonderlijke dromen (‘is het middag dat Jezus aan alle/ muren sterft?’). Haar jeugdherinneringen verwoordt ze in een paradoxale opsomming van alles wat ze al vergeten is: ‘Dat wat ik vergeten ben, daaraan denk ik nog het meest’. Prachtig ook beschrijft ze de geboorte van een kind: ‘de wereld heeft er twee voetjes bij/ en dat je vleesgeworden vocht bent / ben ik al vergeten.’

    Uit al haar reeksen spreekt compassie en een groot verlangen naar veiligheid en geborgenheid in een chaotische werkelijkheid die dat nergens te bieden heeft. Sommige van haar beelden hechten zich op je netvlies: ‘mijn kauwgum is een muntgroen hersenkwabje’ of: ‘de putjes in haar lach/ alsof in elke wang een nietje zat’. In Ik ben mogelijk klinkt een overrompelend rijk, en voor een debuut opmerkelijk trefzeker en persoonlijk geluid dat het meer dan verdient alle aandacht te krijgen.


    Elma van Haren en Erik Menkveld