Clubkeuze

Elke editie kiest een panel van poëziekenners de meest interessante bundel van het seizoen. Awater-abonnees krijgen deze Clubkeuzebundel automatisch thuisgestuurd. Hieronder vindt u een overzicht.
  • 2012-1

    2012-1

    Waarom zijn we niet vrij?

    Het Dichterspanel van de Poézieclub verkoos de nieuwste bundel van Ad Zuiderent, We konden alle kanten op, tot de nieuwe Poëzieclubkleuze.

    We konden alle kanten op is de negende dichtbundel van Ad Zuiderent (1944). De titel van deze bundel is tevens de eindregel van het gedicht ‘Reservaat’, waarin de dichter zich herinnert hoe hij en nog iemand - samen een wij- uitkeken over zee en een algeheel gevoel van vrijheid ervoeren, niet omdat de zee zich zo wijds en leeg voor hun ogen uitstrekte, maar juist omdat er op dat moment een stip aan de horizon verscheen.

    Die had alle kanten tot zijn beschikking om op te gaan en juist daardoor kreeg de zee zijn grenzeloze maat. Alle kanten opgaan; alles ligt open en is mogelijk, zo voelt de lezer met de dichter mee, omdat door het gebruik van de wij-vorm ook de lezer in het gedicht wordt binnengehaald en aangesproken.

    Waarom, zo vraagt de dichter zich af in het gedicht, waarom zouden we dat eigenlijk níet doen? Wat houdt ons tegen, wat maakt ons de gevangene en de cipier tegelijk van het leven dat we leiden? Het is een vraagstelling, die bijna elk gedicht in deze bundel probeert te beantwoorden. Er zijn vele redenen om onszelf op onze plaats vast te houden, verplichtingen, gevoelens, verantwoordelijkheden en pas als we het antwoord op deze vraag weten, pas dan kunnen we echt alle kanten op. Zoals bij veel intrigerende vraagstukken, ligt een deel van het antwoord eigenlijk al in de vraag besloten.

    Om het te kunnen vinden, is het het beste alvast maar te beginnen met alle kanten op te gaan. Dus vangt de dichter letterlijk aan; hij beweegt zich door landschappen, meestal op de fiets, vaak met vrienden of geliefden. Hij zoekt het in de beelden en gebeurtenissen onderweg en vindt inderdaad een weerklank, die in ieder geval zicht biedt op de diepte die het antwoord ongetwijfeld in zich draagt, namelijk: nieuwe, opmerkelijke gedachten, onverwachtse associatiepatronen of herinneringen aan zijn jeugd. Dit roept weer andere vragen op. De dichter kan blijven bewegen op zijn zoektocht, een eenduidig antwoord zal hij niet vinden en dat is maar goed ook. Zo ontstaan gedichten. Bovendien is de dichter zich er erg van bewust, dat zijn zoektocht ook een zoektocht naar gedichten is. De dichter moet zichzelf te slim af zijn, een samenspel van het bewuste en het zorgvuldig met rust gelaten onderbewuste. Gelukkig, dat gaan dichters beheersen naarmate ze ouder worden! De bundel begint met een afdeling, waarin de dichter iets wat hem, al fietsend, opvalt onderweg, knap vervlecht met een jeugdherinnering.

    ‘Geen dag zonder iets op papier,
    dus ook aan het eind van de zomer
    een heldere middag fietsend met vrienden’


    Zo begint het gedicht ‘Oud ambacht’, waarin het zien van een oude schuur, gemaakt van geteerde planken, de aanleiding is om terug te denken aan zijn jeugd en zijn familie, het vroegere dorp, de vader en de tantes om dan weer terug te keren in het heden, naar de fiets waarop hij zit en de weg waarop hij fietst. Fietsen is een belangrijke manier voor Ad Zuiderent om zich voort te bewegen. Letterlijk en figuurlijk. Zijn vorige dichtbundel had de titel Fietser naar niets en dit thema, bewegen op de fiets naar iets, naar niets, wordt in deze bundel voortgezet. 

    Als je de gedichten doorleest, zie je de fietser steeds duidelijker voor je ogen verschijnen op een weg, geplaveid met kinderkopjes of op een zandweggetje of een kronkelpaadje tussen heuvels, maar ook op gladde geasfalteerde fietspaden. Hij fietst stevig door en het ritme van zijn benen geven de gedichten hun cadans. Zijn gedachten en observaties meanderen daar moeiteloos op mee.

    ‘Je stapte weer eens op de fiets,
    voor de verandering, het schrijven
    lukte niet,


    Zo schrijft de dichter en hij verzucht verderop, dat door te gaan fietsen in ieder geval


    ‘was je het zelf die nu de as
    van de verandering bewoog’

    De bundel bevat ook een cyclus van vijf gedichten, waarin de dichter de schrijver Sebald ontmoet. Hij slaat hem nauwkeurig gade en noteert zijn observaties, hij reist met hem mee en luistert naar zijn verhalen en gedachten. Uit de gedichten spreekt een grote bewondering voor deze schrijver, maar ook een gevoel van verwantschap. Niet voor niets spreekt de dichter via de mond van de schrijver Sebald. Sebald, een voortbeweger bij uitstek, een wandelaar waar Ad Zuiderent een fietser is.

    De dichter rust als het ware even uit bij de schrijver Sebald, terwijl hij het aan hem overlaat om het verhaal te vertellen. Het is het verhaal van hen samen. Sebald is hier net zo goed een middel om de dichter zich te laten voortbewegen, een andere vorm om zijn gedachten kenbaar te maken. Het mooie van de gedichten van Ad Zuiderent is dat hij op deze manier allerlei poëticale, filosofische en levensbeschouwelijke kwesties aan de orde weet te stellen op een onnadrukkelijke manier, eigen en persoonlijk zonder dat het particulier wordt. We konden alle kanten op is een thematisch volle, rijke, intieme bundel met een herkenbaar en onverwisselbaar geluid, die best wat meer aandacht verdient dan er de afgelopen jaren aan zijn andere bundels is gegeven.


    Elma van Haren en Erik Menkveld