Clubkeuze

Elke editie kiest een panel van poëziekenners de meest interessante bundel van het seizoen. Awater-abonnees krijgen deze Clubkeuzebundel automatisch thuisgestuurd. Hieronder vindt u een overzicht.
  • 2012-2

    2012-2

    Twee dichters ontmoeten elkaar 

    Het Dichterspanel van de Poëzieclub verkoos In omgekeerde richting van Bernlef en Hans Tentije tot de nieuwe Poëzieclubkeuze. 

    De dichtbundel In omgekeerde richting is uitverkoren als Clubkeuze van de Poëzieclub voor het voorjaar van 2012. De bundel, in de herfst van 2011 verschenen bij uitgeverij De Harmonie, is een heruitgave van een bibliofiele uitgave van uitgeverij Atlanta, die het boek publiceerde onder de titel Zeegang. 

    Het is een bundel die is ontstaan uit de samenwerking van twee dichters, Bernlef (1937) en Hans Tentije (1944), die allebei al zo lang ‘in het vak’ zitten en allebei al zo ‘gevestigd’ zijn, dat ze eigenlijk niet meer geïntroduceerd hoeven te worden. Ze hebben een lange geschiedenis met elkaar – zo zaten ze samen in de redactie van het tijdschrift Raster – en dat ze met elkaar ‘oud’ zijn geworden (we zijn ons bewust van de vele aanhalingstekens, alsof we ons voor iets moeten excuseren), is te lezen in deze bundel. Er worden geen meningen bevochten, geen standpunten verdedigd, de een wil de ander niet overtreffen, zoals misschien jonge dichters zouden hebben gedaan in een duobundel. 

    Integendeel, ze vinden elkaar, de toon is meanderend, gelaten, weemoedig en soms illusieloos, zonder somber te zijn. Als twee oude mannen kijken ze naar de zee en laten ze hun gedachten en herinneringen samenvloeien en wegwaaien, laten ze de een het gedicht van de ander oprapen langs de vloedlijn. Gedichtenjutters, gravend naar schatten uit het verleden, opgediept uit het eigen geheugen: ‘te zijn, waar je bent is een illusie’ laat Bernlef een gedicht beginnen. Het gedicht gaat over stilstaan in een bewegende wereld en nadenken over wat je hebt laten lopen:



    ‘Wolken drijven boven ons voorbij, koeien grazen onverstoorbaar door 
    en wij staan midden in een weiland stil en lezen het spoorboekje 
    als een verlopen verhaal vol achterhaalde kansen.’


    Tentije reageert hierop met een gedicht dat uitgaat van hetzelfde thema. Hij begint het gedicht met het woord ‘behoedzaam’ en bevindt zich in een trein, waar het landschap aan voorbij schiet: 

    ‘maar ik kijk naar voorbijschietende, nog onveranderde 
    stationsgebouwen en het gietijzer van hun overkappingen, mijn kleddernatte 
    zwembroek in een handdoek op schoot, de coupé 
    is overvol,’ 


    Wie welk gedicht heeft geschreven wordt niet vermeld bij de gedichten – dat is achterin te lezen – maar als je een echte poëzielezer bent, is het makkelijk te achterhalen. De stijl van Bernlef is kort en bondig, die van Hans Tentije uitwaaierend en lyrisch. Zijn gedichten staan vol lange woorden. 

    Korte golfslag, lange rollers, zo voelt het ritme aan waarop de bundel is samengesteld. 

    Af en toe mag ofwel Bernlef, ofwel Tentije twee gedichten achter elkaar zetten, alsof de zee op het hoogtepunt van eb of vloed is. Dat is bewust gedaan, anders zou het een te voor de hand liggend leespatroon worden. Er staan dertien gedichten in van Tentije (die de bundel opent en afsluit) en vijftien van Bernlef. Ze houden elkaar in evenwicht. 

    Op de kaft staat een foto van een man, die tegen de wind inloopt en zijn hoed moet vasthouden in de wind. Je kunt dit zien als ‘tegen de storm oplopen’, maar evengoed kun je er iemand in zien, die zijn hoed afneemt, omdat hij iemand anders ontmoet. Dat gebeurt natuurlijk in een duobundel: twee dichters ontmoeten elkaar, lopen een eindje met elkaar mee en zwaaien dan ieder weer de eigen richting uit. Maar het stormt niet zo hard in deze bundel, of het moet een storm zijn waar de dichters aan gewend zijn, waar ze niet meer van opkijken en waar ze zich onverstoorbaar in begeven. 

    In omgekeerde richting is een rijpe, afgewogen, harmonieuze bundel. Je moet hem zeker meenemen als je op reis gaat, of je nu bergen gaat beklimmen of wandelen langs het strand.


    Elma van Haren en Erik Menkveld