Clubkeuze

Elke editie kiest een panel van poëziekenners de meest interessante bundel van het seizoen. Awater-abonnees krijgen deze Clubkeuzebundel automatisch thuisgestuurd. Hieronder vindt u een overzicht.
  • 2013-2

    2013-2

    Doorgaan met F. Starik

    Alsof je ergens een goede bluesband hoort spelen. Zo klinken de gedichten van F. Starik in zijn nieuwe bundel
    Door. Hij wil wel eens schmieren, maar is wars van pretenties. Complex is het niet echt, maar de grondtoon (die van een donkere basgitaar) geeft ieder gedicht een smeuïge melancholie. Hij doet denken aan iemand als John Lee Hooker die het hele leven in zijn muziek weet te vangen.

    Starik is weloverwogen en berustend, hier en daar met lichte verwondering. Als hij bijvoorbeeld terugkomt van een festival (‘Je bent weer heel even beroemd geweest’) verzucht hij: ‘Het gekakel in je hoofd, de ruis waarvan/ je moet herstellen, de echo van een feest./ Je bent weer openbaar bezit geweest.’ Hij heeft wel meer van die momenten waarop hij weemoedig is zonder echte aanleiding. ‘Weemoed is een oude jas aantrekken/ en vergeten wat je zocht,/ het besef dat je als kind kon weten/ waar een weg is volgt een bocht.’

    Vergeten wat je zocht, maar je had het kunnen weten. Op die toon schrijft Starik, alsof hij verdwaald is maar dat liever niet laat merken. Hij vraagt hoe een stad jouw stad wordt en oppert dat er wat liefdes overheen gaan, dat de barvrouw al weet wat je wilt hebben, dat je blij bent als je met de trein het Centraal Station binnenrijdt. Maar hij weet het eigenlijk ook niet. ‘Hoe wordt een stad jouw stad?/ Stap. Voor. Stap.’ Tussen alle gevoelige piekerpoëzie die er van de drukpers rolt zijn de gedichten van Starik in al hun eenvoud een verademing. Hij roert ook zware onderwerpen aan, zoals zijn moeder die aftakelt en de eenzame doden waar hij gedich- ten voor schreef en waarmee hij al eerder de aandacht trok. Maar telkens blijft hij die verdwaalde melancholicus. Als zijn moeder een klein boompje in haar tuin plant, noteert hij: ‘Voordat het boompje ooit tot bloeien kwam/ knipte mama alle losse takken weg./ Stond er alleen nog maar/ die stok, netjes toch?’

    Of het werkelijk om zijn eigen moeder gaat, weten de lezers natuurlijk niet. Het maakt ook niet veel uit, maar hij wekt wel de indruk dat het hem allemaal echt overkomen is. De dichter geeft zijn lezers alle gelegenheid dichtbij te komen, alleen al door achter in zijn bundel nog een uitgebreide toelichting te schrijven op zijn gedichten. Het maakt zijn bundel gastvrij. De titel weerspiegelt dit allemaal. Het is – zoals hijzelf erkent – een flauw grapje, want de bundel is geschreven ‘door’ F. Starik. Maar we moeten ook door. En als je de bundel leest, krijg je ook het gevoel ‘door’ F. Starik heen te lezen.


    Bas Belleman en Elma van Haren