Awater Live

Awater Live wil het poëzietijdschrift Awater en de Poëzieclub breder onder de aandacht brengen. Bij het verschijnen van iedere editie organiseren we daarom twee evenementen waarop we deze editie van Awater presenteren, ofwel we sluiten aan bij bestaande evenementen om de betreffende editie van Awater onder de aandacht te brengen. Totaal gaat het om zes maal Awater Live per jaar.

Awater Live wordt mede mogelijk gemaakt door het Lira Fonds.
  • Boekhandel Bijleveld, Utrecht

    7 juni 2019
    Boekhandel Bijleveld, Utrecht

    Over voordragen en vertalen

    tekst en foto's: Liliane Waanders

    In Boekhandel Bijleveld aan het Janskerkhof in Utrecht, de boekwinkel waar Virginia Woolf zich in 1935 (waarschijnlijk) lovend over uitliet, werd het zomernummer van Awater ten doop gehouden. Tijdens Awater Live betraden schrijvers en dichters het podium die ook op papier een bijdrage leverden. Tijdens deze eerste editie ging Onno Kosters in gesprek met Vicky Franken over vertalen en droegen Willem Jan Otten, Thomas Möhlmann, Ingmar Heytze en Frans Kuipers voor.



    ‘Niets moet, veel kan, maar je moet het wel kunnen’

    In De regels voorbij: het vertalen van poëzie, een ingekorte versie van een hoofdstuk over het vertalen van poëzie in het nog te verschijnen Perspectieven op literair vertalen, zet Onno Kosters een aantal door de eeuwen heen door diverse poëzievertalers gehanteerde strategieën op een rij. Dat essay is het vertrekpunt tijdens het gesprek dat Awater-redacteur Vicky Franken met dichter, vertaler en docent Onno Kosters voert. Een gesprek dat al snel niet meer gaat over de strategieën, maar over de competenties van de vertaler zelf.

    ‘Aan regels heb je niets als je het niet kunt. Vertalen vereist vakmanschap. Onderdeel van dat vakmanschap moet ook het onderzoeken en omzetten van de culturele achtergrond van een gedicht of literaire tekst zijn, zodat die context in de vertaling doorklinkt.’
    Volgens Onno Kosters is het niet per se nodig dat een vertaler zelf ook dicht. Zelfs iemand die niet van gedichten houdt, zou een goede vertaler kunnen zijn: ‘Misschien dat juist iemand die een hekel heeft aan poëzie de kritische distantie op kan brengen die nodig is voor vertalen. Een vertaler moet afstand nemen van het idee dat een tekst onvertaalbaar is en de dichter zeker niet als mystieke bron zien. Anders verwordt poëzie tot vaag gemurmel in de marge.’



    Kosters geeft naast de namen die hij in zijn essay al noemt een voorbeeld van iemand die zich uitgesproken strijdbaar en provocerend opstelt als het over vertalen gaat. ‘Lawrence Venuti vindt trouw zijn aan een tekst onzin. Zijn adagium is:

    “STOP treating translation as a metaphor
    START considering it a material practice that is indivisibly linguistic and cultural”.’

    Als Vicky Francken Kosters een alinea uit haar vertaling van een gedicht van de Haïtiaanse dichter James Noël voorlegt en haar overwegingen deelt voor de keuze van guts/guts als equivalent van entrailles/darmen of ingewanden, is hij enthousiast en benadrukt hij hoe belangrijk het is om buiten de paden van het letterlijk, het één-op-één vertalen te treden. ‘Het Nederlands wordt verrijkt door met name het Engels en daar moet je op een creatieve manier gebruik van maken.’

    Dat sluit aan bij de vraag waarmee Onno Kosters zijn essay eindigt: ‘Mag dat?’, naar aanleiding van keuzes die hij zelf maakte bij het vertalen van het gedicht The Trees van Philip Larkin. ‘Die vraag is interessanter dan alle antwoorden in handboeken gegeven.’
    Waar het op neerkomt: iedere vertaler moet wat hij weloverwogen gedaan heeft, kunnen verantwoorden.

    Bij wijze van voetnoot

    Een voetnoot spreekt soms boekdelen, blijkt als het gaat over de eigenzinnige keuze van Sylvia Marijnissen om in haar vertaling van het gedicht Oorlogssymfonie van Chen Li de Chinese karakters te laten staan, en ‘slechts’ van een verklarende toelichting te voorzien omdat wat de dichter doet met betekenis, beeld en de bijbehorende klanknabootsing dan volgens haar voor zich spreken.

    Van de tijdens Awater Live optredende dichters maken er drie gebruik van de mogelijkheid om hun gedichten in te leiden. Willem Jan Otten, van wie vijf nieuwe gedichten in het nieuwe nummer van Awater staan, plaatst verklarende voetnoten. Het gedicht Zona verwijst naar Stalker van Andrej Tarkovsky, het titelloze gedicht gaat over een terminaal zieke buurman en de gedichten in de afdeling Afloopverzwijgers in zijnvoor de Grote Poëzie Prijs genomineerde bundel Genadeklap noemt hij echtpaargedichten, ‘een genre dat ik steeds grager beoefen’. Kanttekeningen die richting geven aan het lezen en luisteren.

     

    Thomas Möhlmann en Ingmar Heytze pakken het anders aan. Samen met Ellen Deckwitz schreven zij gedichten die het verloop van de serie Game of Thrones volgen. In Game of Poems: gedichten van ijs en vuur vatten zij elke aflevering samen en voorzien zo de gedichten van een context. Op het podium praten zij de door hen gekozen selectie - waaronder Openingsscène dat door Erik Kriek voor Awater verstript werd - geroutineerd en vol zelfspot aan elkaar.

    De enige dichter die ervoor kiest zijn gedichten zonder nadere introductie voor te lezen is Frans Kuipers. Zijn bundel Alles waait is dit keer de Clubkeuze.  Waarom de redactie juist voor die bundel koos, licht redacteur Thomas Möhlmann voorafgaand aan het optreden van Frans Kuipers toe:

    ‘Het zindert en zingt, zwiert en wappert in Alles waait. Kuipers rekt alles op. Zijn taal is lenig. Woorden en begrippen buigen naar de betekenis waarin de dichter ze dwingt. Dat levert wervelende regels vol nieuwe begrippen op, waarin niets onmogelijk is.’

    Het ingetogen lezen verraadt niet wat de dichter van deze aanbeveling voor zijn werk vindt.