Nieuws

<< Nieuws
  • Poetryslam, aflevering 4: Arnoud Rigter

    Poetryslam, aflevering 4: Arnoud Rigter

    Gepubliceerd: 7 juni 2018

    Merlijn Huntjens interviewt tien poetryslammers over poetryslam. Arnoud Rigter kwalificeerde zich in 2004 voor het eerst voor het NK Poetry Slam. De op podia veel geziene dichter en beeldend kunstenaar was daar diverse keren te vinden met zijn wat absurdistische poëzie.

    Wat vind jij boeiend of belangrijk als het gaat om poëzie als podiumkunst? Wat voegt jouw werk daaraan toe?

    Een stem, handen en voeten zijn voor poëzie niet per se nodig, maar ze kunnen fijne muzikaliteit, nagellak, timing, onbedoelde zenuwtrekjes en humor toevoegen. Dat helpt een moment te maken dat staat, op ieders schoenmaat. Ik voeg 1,85 m en 66 kg toe aan het poëzielandschap, ik doe wat ik kan.

    Asha Karami zei bij de derde aflevering van mijn interviews voor de Poëzieclub: “Er zou trouwens wel een interessante analyse te maken zijn over de twee soorten poetryslammers: de ‘dichters’, die het ook op papier goed (willen) doen en de ‘spoken word-’ artiesten, voor wie de uitvoering het meest essentiële onderdeel is van de kunst. Ik vind het soms niet passend dat deze twee groepen tegenover elkaar staan omdat het om twee verschillende kwaliteiten gaat. Juryleden lijken het hier ook moeilijk mee te hebben.” Hoe sta jij hierin?
    De onmogelijkheid ligt eigenlijk al in het wedstrijdelement besloten. Maar goed, soms wordt de inhoud door een voordracht goed geaccentueerd. Soms wordt de inhoud juist gecamoufleerd door een ‘indrukwekkende performance’ en dat is dan vaak nog nodig ook. Dat lijkt me wel een kompas. En zowel bij ‘papiervoordracht’ als bij ‘rapvoordracht’ meen ik soms imitaties en poses te zien. Ik zie graag iemand uit de verf komen volgens zijn of haar eigen spelregels – en dat belichamen. Fijn als dichters zich belichamen, er kan mij niet genoeg belichaamd worden.


    IKEGO - Land van suiker en benzine. Muziek: YouEcho; tekst en beeld: Arnoud Rigter

    In het tweede interview in deze reeks zegt Ozan Aydogan: 'laten we ons overgeven aan de kunsten en haar toestaan ons onze verschillen te laten overstijgen. Kunst is het spel van de universaliteit, een regelrecht appel op wat aan ons allemáál ten grondslag ligt.' Wat vind je hiervan?
    Dat zegt hij in een context van cultuurverschillen, van in- en uitsluiting. Dan ben ik het natuurlijk wel met zijn goede intenties eens. Maar zo’n uitspraak is me ook te retorisch. Ik krijg er gladstrijkallergie van. Ik ga niet zozeer voor ‘overstijgen’ maar voor ‘doorzakken’ in een obscure, hoogsteigen composthoop, de voedingsbodem. Liever een vinger aan de pols van innerlijke beschimmeling dan trompetgeschal… hoewel ik nu vast niet populair overkom, Merlijn, want het klinkt niet zo fruitig.
    Kunst gaat wat mij betreft bij uitstek wél over subjectiviteit en verschil. Het is spel van individualiteit, met universaliteit als gunstige bijwerking. Misschien kopen we voor het tweede meer dan voor het eerste, maar dan wel via het eerste.

    Nu ik toch geïnterviewd word, maak ik graag van de gelegenheid gebruik wat oude natuurvolken te noemen die materie menselijke eigenschappen toedichten of dieren een symbolische waarde geven.  Dus: “de mens maakt ding tot mens.” De moderne trend is eerder: “het ding maakt mens tot ding.” 

    De balans tussen objectief en subjectief mag wat mij betreft weer meer naar de tweede. Ik vind het fijn als kinderen lachjes in zonnen tekenen en dichters een god tot pottenbakker verklaren, wetende dát het subjectief is – dat het voor een ander anders is. Maar door dat te delen komen we wél voor de dag. 



    KANTTEKENINGEN BIJ OPHEFFING VAN DE HEL

    Pottenbakkers komen droog te staan.
    Stoofvlees wordt zouteloos. Vervolgens
    zit in lome stoomtreinen geen puf meer,

    alles werkt op elkaar in. Opheffing is slecht
    voor menig saxofonistenhart.
    Glasblazers krijgen geen bol meer vloeibaar.
    Danspassen raken verstrikt in plavuizen.
    Zangeressen zetten het op het klaverjassen.
    Deegkneders verzanden in hun eeuwige meel.
    Kraaien zullen roestige hoogovens negeren.

    Opheffing heeft negatief effect op openbaar
    vervoer. De meedogenloze raillengten met
    hun muurvast aangedraaide bouten ten spijt:
    oriëntatie zijn we kwijt.
    Hoe slaan we nog een vonk op, geplukt
    uit het midden van de stilste pottenbakker.
    De pottenbakker, dromend van gasfornuizen,

    ophokkend in de doofpot van zijn strot.
    Tussen hemelprofeten zal zelfs hij
    de juiste zwijgrichting vergeten.