Clubkeuze

Elke editie kiest een panel van poëziekenners de meest interessante bundel van het seizoen. Awater-abonnees krijgen deze Clubkeuzebundel automatisch thuisgestuurd. Hieronder vindt u een overzicht.
  • 2018-1

    2018-1

    Alleenlopen en overal ligt glas
    Vicky Francken en Myrte Leffring

    De inzendingen voor de derde Poëzieclubkeuze van 2017 waren zeer divers: van het ambachtelijk geschreven Handschrift van Jean Pierre Rawie, de maatschappelijk georiënteerde gedichten in We komen van ver van debutant Carmien Michels, tot de glasheldere bundel Zonder titel zonder jaar van Nicolaas Matsier. Toch viel één bundel op door de consistente thematiek, het bijzondere taalgebruik en het gekozen perspectief.

    Die bundel is Oefening in het alleenlopen van Kreek Daey Ouwens.

    We lopen door het hoge gras.
    We stappen boven op een grote witte paddenstoel.
    We kijken naar de inktzwarte wolk aan onze voeten.

    Zo vangt de bundel aan. Je voelt meteen dat hier iets aan de hand is. Deze oefening in het alleenlopen begint namelijk met een meervoud, een ‘we’ waaruit zomaar eens een ‘ik’ zou kunnen verdampen.

    Met eenvoudig taalgebruik weet Kreek Daey Ouwens de complexe wereld op te roepen waar een kind mee te maken krijgt. Een grootmoeder wier gezicht je niet mag aanraken. Een moeder die een kille rok naait. Een grootvader die moederziel alleen is. En ‘overal waar je loopt ligt glas’. Het zijn deze hypnotiserende beschrijvingen die ervoor zorgen dat je niet alleen steeds dichter om het gezin heen cirkelt, maar plotseling soms zelf midden in die cirkel lijkt te staan.

    Terugkerende beelden en formuleringen geven kleine gebeurtenissen een enorme lading. Betekenisvolle, soms zelfs letterlijke echo’s uit haar eerdere bundels, wijzen erop dat de dichter als een ijverige spin bezig is met een consistente thematiek die functioneert als een web. Een web waarin steeds opnieuw iets moet worden gevangen: om het vast te houden.

    Richting het einde van de bundel wordt de taal steeds spaarzamer en het meervoud verdwijnt. Uit de ‘we’ aan het begin, stapt nu een ‘ik’ naar voren. Het kind brengt – als de witte paddenstoel de inktzwarte wolk – een volwassene voort. Zo loopt na een leven lang oefenen uiteindelijk iedereen vooral hand in eigen hand; alleen.